Laatst mocht ik op gesprek komen bij een mogelijke opdrachtgever. Ik was al een paar maanden bezig met oriënteren, had een brief geschreven en nu werd ik dus uitgenodigd voor een kennismaking.
Whiehoe! Ik voelde me super blij en trots, maar tegelijkertijd voelde ik ook een pijnlijke steek in mijn hart. ‘Wat is dat nou weer’, was mijn eerste reactie. En ik had er ook geen zin in, dus duwde het gevoel weg. Maar het bleef knagen, ook de dagen erna….
Oké dan <zucht>, tijdens een ochtendmeditatie ben ik er mee gaan zitten.
Wat voel ik?
Pijn, verdriet, eenzaamheid.
Hoezo? Er gebeurde toch juist iets fijns, iets waar ik me blij en trots over voelde?
Zittend in de stilte liet het zich zien: ik voelde intens verdriet omdat ik mijn moeder miste. Deze gebeurtenis kon ik niet meer met haar delen. Oh, wat vond ik het pijnlijk jammer dat ik haar niet kon opbellen om het te vertellen.
B L I J * V E R D U B B E L A A R
Was het woord dat spontaan in me naar boven kwam. Het kenmerkt hoe mijn moeder was: als je haar iets vrolijks of geslaagds vertelde, dan verdubbelde zij die vreugde. Dan kon ze zóveel medevreugde hebben, dat het mijn eigen gevoel nóg groter maakte. En dát was wat ik voelde: rouw om het niet meer met haar kunnen delen, rouw om het gemis van die verdubbeling.
Zoals zo vaak: toen ik het gezien had, liet het mij los.
En die mogelijke opdracht? Zo gauw ik daar meer over weet, deel ik het!