Ze zeggen wel eens: het universum hoort het woord ‘niet’ niet, gelukkig de man die tegenkwam ook niet…
Door het warme weer laten de narcissen alweer fraai hun kopjes zien. Op weg naar huis, na een lange wandeling met de hond, liep ik met opzet door de Kennemerbeekweg. Ik weet dat het daar ieder jaar vol staat met narcissen; zo mooi!
Halverwege zie ik een auto geparkeerd staan met de achterklep open en in de kofferbak liggen allemaal pollen narcissen. Gewoon zonder pot, je zag de bollen en de aarde gewoon liggen. Is die man zou gewoon die bloemen aan het uittrekken? Verontwaardigd besluit ik er wat van te zeggen:
‘Nou meneer, nu kunnen andere mensen er niet van genieten.’
‘Inderdaad’, antwoord de man met een stralend gezicht, ‘ieder jaar plant ik hier de narcissen uit mijn tuin, zodat iedereen ervan kan genieten!’ Hij pakt een flinke pol uit zijn auto en plant het in de berm van de weg. Met een rood hoofd stamel ik nog wat bedankjes in zijn richting.
Op weg naar huis werd ik me ervan bewust dat het feit dat ik gelijk reageerde op wat ik dácht te zien, vooral te maken had met mijn eigen gemoedstoestand.
‘Onze oordelen als we blij en vriendelijk zijn, zijn niet hetzelfde als wanneer wij gepijnigd en vijandig zijn’, is een uitspraak van Aristoteles.
Ik was die ochtend moe wakker geworden en voelde me wat chagrijnig. Als ik die dag ontspannen en vrolijk was begonnen, had ik waarschijnlijk heel anders gereageerd!
Eenmaal thuis kon ik er wel om lachen, over hoe mijn oordelende geest me flink te grazen had genomen. En wat was ik dankbaar dat die man me niet goed verstaan had!